![]() |
Michiel Adriaensz. De Ruyter (1607-1676) stamde uit een boerengeslacht (zie ook Trouwhand). De vader van zijn vader, die ook Michiel Adriaensz. heette, had tijdens het begin van de opstand tegen Spanje enige jaren in het leger van de prins gediend. Na zijn actieve diensttijd bouwde hij een bloeiend boerenbedrijf op in de buurt van Bergen op Zoom. Daar werd Adriaen Michielsz. geboren, de vader van Michiel de Ruyter. De familie verbleef lange tijd in Brabant, maar moest door toedoen van grootvader de streek noodgedwongen verlaten. Een groep soldaten die het land afzocht naar paarden voor het leger van de prins, had de paarden van De Ruyter’s boerenbedrijf in beslag genomen. Deze daad liet hij niet onbeantwoord en nam, terwijl de soldaten zich in een herberg vol lieten lopen met wijn, zijn paarden terug. Het resultaat was dat de boerenhoeve in brand werd gestoken en de familie De Ruyter naar Vlissingen moest uitwijken.
Zie verder onderaan deze pagina
In Vlissingen had de familie een armoedig bestaan. Adriaen trouwde met Alida Jans en werd bierdrager. Hun inkomsten waren gering. Michiel Adriaensz. was het vierde kind van Adriaen en Alida. Hij kreeg nog acht broertjes en zusjes, wat de financiële spoeling nog dunner maakte. Door deze schaarste maakte
Michiel al vroeg kennis met de hardheid van het leven. Michiel Adriaensz. de Ruyter werd op 24 maart 1607 in Vlissingen geboren en naar zijn grootvader aan vaderszijde vernoemd. De achternaam De Ruyter kwam oorspronkelijk niet in de familie voor. De vader van zijn moeder, die als ruiter in het leger van de prins had gediend, had die naam aangenomen en aan zijn kinderen overgedragen. Op latere leeftijd besloot ook Michiel zich zo te noemen. De kleine Michiel was geen vlijtige leerling. Hij haalde veel kattenkwaad uit, was nieuwsgierig van karakter en zeer ongedurig. Door zijn durf en kracht wist hij zich al snel van zijn leeftijdgenootjes te onderscheiden en vestigde zijn naam definitief na een klimpartij op de kerktoren van Vlissingen. Michiel klauterde tijdens de herstelwerkzaamheden van de Sint Jacobskerk ongemerkt naar boven, bereikte de steigers en gebruikte de daar aanwezige ladder om de spits te bereiken. Na van het uitzicht over de stad, haven en zee genoten te hebben, wilde hij terug gaan, maar dat lukte niet. De werklieden waren inmiddels naar huis gegaan en hadden de ladder weggehaald. Met zijn beslagen schoenen trapte hij de dakbedekking stuk en gebruikte het houten latwerk om naar beneden op de trans te komen.
Natuurlijk waren zijn ouders niet blij met de daden van hun zoontje. Op school leerde hij bar weinig, zodat zij hem daar vanaf haalden en een baantje voor hem zochten. Zo kwam Michiel op 11-jarige leeftijd in dienst van de gebroeders Adriaen en Cornelis Lampsins. Op de lijnbaan van Lampsins draaide hij aan het rad om touw te winden. Hij verdiende een stuiver per dag, geld dat thuis goed gebruikt kon worden. Vanaf de lijnbaan zag Michiel de grote fluitschepen met hun brede boegen naast de statige fregatten en kleinere pinassen dienen en er ontstond een verlangen naar de zee. Alhoewel zijn ouders weinig in dat voornemen zagen, gaven zij uiteindelijk toestemming om naar zee te gaan. Op zee leerde Michiel was discipline was en voerde zijn taak als bootmansjongen naar behoren uit. Op 15-jarige leeftijd werd hij matroos, maar verliet in 1622 plots de zee en trad als busschieter in dienst van het leger van prins Maurits (1567-1625), dat in het Kleefse land tegen de Spanjaarden vocht. Uit deze ingrijpende belevenis leerde Michiel hoe dicht de dood bij het leven stond en hoe vreselijk oorlog was.
Als 16-jarige keerde hij naar Vlissingen terug. Na het beleg van Bergen op Zoom in 1622 had Michiel het leger verlaten en monsterde als matroos aan op een oorlogsschip.Vanaf dan gebruikt hij de achternaam De Ruyter. In een gevecht met de Spanjaarden enterde hij een Spaans schip en sprong als eerste aan boord. Tijdens die actie werd hij door een piekstoot aan het hoofd geraakt. Een tweede gevecht met de Barbarijse zeerovers volgde. Dit maal bleek de vijand te sterk en De Ruyter werd door de zeerovers gevangen genomen. Omdat Michiel weinig heil zag in zijn verdere leven op een galei te moeten slijten, nam hij, samen met twee andere bemanningsleden, een groot risico en wist te ontsnappen. Geheel berooid en te angstig om op een schip aan te monsteren besloten zij te voet het vaderland te bereiken. Zij zwierven wekenlang door Spanje, Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden en bereikten uiteindelijk Vlissingen. Op 16 maart 1631 trouwde de eenvoudige matroos met Maayke Velders. Dit eerste huwelijk was echter van korte duur. Op 31 december 1631 werd zijn dochtertje Alida geboren en overleed zijn vrouw in het kraambed. Alida stiref kort daarna, op 18 januari 1632.
De Ruyter als koopman en kapitein (1632-1652)
In de winter daarop stortte Michiel zich, om het leed enigszins te verzachten, met grote ijver op de bestudering van kaarten, nautische instrumenten en scheepvaartkundige boeken. De studie was zwaar, maar hij bereikte zijn doel. Op 8 mei 1633 kon De Ruyter al van zijn kennis gebruik maken en voer in dienst van de Groenlandse Compagnie onder schipper Jochem Janssen op de walvisvaarder De Groene Leeuw naar het hoge noorden. Op dit schip maakte hij verscheidene reizen naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayen. Op 1 juli 1636 trad de 29-jarige Vlissinger voor de tweede keer in het huwelijk. Zijn bruid heette Neeltje Engels. Zij zou hem vier kinderen schenken, waarvan de jongste zoon Engel heette (Adriaen, Cornelia, Alida en Engel).
Vader Michiel was zelden thuis. Op 23 april 1637 werd De Ruyter kapitein in dienst van de gebroeders Lampsins. Hij moest optreden tegen Duinkerker kapers, die het kanaal onveilig maakten. In 1640 nam hij weer dienst bij de gebroeders Lampsins en maakte twee reizen naar Brazilië en West-Indië. Gedurende die reizen wist hij grote verbeteringen op de tot dan toe daar gebruikte zeekaarten aan te brengen. Op 20 juni 1640 werd De Ruyter door stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647) tot kapitein, met de rang van schout-bij-nacht, op de Haze beoemd. Dit schip maakte deel uit van een vloot, welke onder admiraal Artus (Arnoult) Gijsels (1593-1676) werd uitgerust om de Portugezen tegen Spanje te steunen.
Begin november 1641 ontmoette de Nederlandse vloot de Spanjaarden in de buurt van Kaap Vincent. Het schip van De Ruyter werd zwaar beschadigd en nadat de Spaanse vloot zich moest terugtrekken, wist De Ruyter met moeite de haven van Lissabon te bereiken. In 1642 keerde de vloot terug en trad Michiel weer in dienst bij de gebroeders Lampsins. In de periode 1642-1651 maakte hij reizen naar Ierland, de Middellandse Zee en West-Indië als kapitein-koopman op de Salamander. Geheel vlekkeloos verliepen die reizen niet. De Ruyter diende zich veelvuldig van de Barbarijse zeerovers te ontdoen. Zo ook in 1650, het jaar waarin De Ruyter op 25 september zijn tweede vrouw Neeltje verloor en met vier kinderen achterbleef.
Op 8 januari 1652 hertrouwde De Ruyter op 45-jarige leeftijd met Anna van Gelder. Anna qwas weduwe van één van Lampsins' kapiteins en het huwelijk met Michiel was voor iedereen een goede en praktische oplossing. De Ruyter had ogenschijnlijk genoeg van het zeemansleven en wenste uit zorg voor zijn kinderen en het verlangen om een huiselijker leven te kunnen leiden meer aan wal te blijven. Anna zou Michiel twee dochters schenken (Margaretha en Anna).
Van commandeur tot admiraal (1652-1655)
Lang duurde dat rustige leventje niet. In juli 1652 bereikte hem van de Zeeuwse Admiraliteit het verzoek om weer in dienst van het land te treden. Drie prinsen van Oranje waren sinds de geboorte van Michiel de Ruyter ten grave gedragen; prins Maurits, prins Frederik Hendrik en prins Willem II (1626-1650). In 1648 was er door de Vrede van Münster een einde aan de Tachtigjarige Oorlog met Spanje gekomen, maar de
strijdlustige Willem II had getracht een nieuwe oorlog te ontketenen. Daarbij hadden de Staten van Holland hem zeer tegengewerkt en toen hij onverwacht stierf haalden de regenten verlicht adem. Zij verlangden naar een lange periode van vrede, waarin de handel tot bloei kon komen.
Aan die vreedzame periode dreigde nu een einde te komen. Engeland had reeds vele jaren grote moeite met de ongekende macht van de Hollandse kooplieden. De Engelsen wensten die positie aan te tasten, waardoor een oorlog niet kon uitblijven, maar De Ruyter weigerde om aan het Zeeuwse verzoek te voldoen. Het huiselijk leventje beviel hem uitermate goed en hij had weinig behoefte weer te gaan varen. Bovendien verkeerde de Nederlandse vloot in een slechte staat. De Staten voerden de druk op en stuurden een vertegenwoordiger naar De Ruyter toe om hem op zijn plichten te wijzen.
Alhoewel De Ruyter weinig vertrouwen had in de strijd met de Engelsen, de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654), aanvaardde hij op 29 juli 1652 plichtsgetrouw de opdracht en werd tot vice-commandeur op de oorlogsvloot benoemd. De Engelsen vormden onder Oliver Cromwell (1599-1658) een hechte eenheid. Daar waar de Hollanders uitblonken door verdeeldheid, beschikten de Engelsen over een sterke vloot. In het land van De Ruyter waren de Hollandse bevelhebbers verdeeld in Oranjegezinden en voorstanders van een stadhouderloze Republiek. Een situatie die de positie van het land niet ten goede kwam. Op 10 augustus 1652 voer De Ruyter uit op de Neptunus, waarna op 26 augustus een afmattende strijd bij Plymouth tegen de Engelse vloot onder leiding van George Ayscue (1616-1671) volgde. De Ruyter wist hem te verslaan en wilde hem naar Plymouth achtervolgen. Een voornemen waar hij door het slechte weer van werd weerhouden.
Op 2 oktober verenigde de vloot zich met het eskader onder Witte de With (1599-1658). De Neptunus en negen andereschepen werden wegens onzeewaardigheid afgedankt en De Ruyter ging op de Louise over. Op 8 oktober verliep de zeeslag in de Hoofden tegen Robert Blake (1599-1657) weinig voorspoedig. De Nederlandse vloot trok zich terug zonder een schip te verliezen en liep op 13 oktober Hellevoetsluis binnen. Uit dit fiasco trok De Ruyter de conclusie, dat hij alleen in noodzakelijke gevallen strijd moest leveren. Weer was hij diep teleurgesteld en besloot voor de tweede maal de zee te verlaten.
Het land had zijn hulp echter nodig. Dit maal gelukte het Maarten Harpertszoon Tromp (1598-1653) De Ruyter binnen zijn gelederen te krijgen. Hij kreeg het bevel over het eskader van De With, die ziek was. Op 10 december 1652 kwam het bij Dungeness tot een treffen met de Engelsen. Blake moest uitwijken, waarmee de zee voorlopig vrij werd voor de Nederlandse koopvaardij. Als zegeteken hees Tromp een bezem in de mast ten teken dat hij de zee had schoongeveegd.
Op 12-13 juni 1653 ontbrandde de strijd opnieuw. Tromp en De Ruyter ontmoetten de Engelsen onder leiding van George Monck (1608-1670) bij Nieuwpoort. Een zeeslag die uiteindelijk bij Duinkerken opnieuw op een fiasco uitdraaide. Tromp moest wijken omdat Monck zich verrassend had weten te versterken en hij overvleugeld dreigde te worden. Een woeste Tromp drong er bij de Staten-Generaal op aan de vloot te versterken. De Ruyter onderstreepte het standpunt van Tromp en dreigde op te stappen. Helaas zagen de Staten op korte termijn geen oplossing en plichtsgetrouw koos Tromp op 6 augustus weer zee. Hij herenigde zich met het eskader van Witte de With.
Op 10 augustus werd bij Ter Heide slag geleverd. De schepen van Johan Evertsen (1600-1666) en De Ruyter werden geraakt en Tromp sneuvelde op 56-jarige leeftijd. Geen van beide partijen behaalde de
overwinning. Wel werden de Engelsen gedwongen de blokkade op te heffen en van landingspogingen op de Nederlandse kust af te zien, waardoor een gedeelte van de Engelse dreiging kwam te vervallen. Tromp werd in de Oude Kerk in Delft begraven en de cavalerie officier Jacob Wassenaer van Obdam (1610-1665) werd tot opperbevelhebber van de vloot benoemd. Daarmee kwam een einde aan de rivaliteit tussen De With, Evertsen en De Ruyter. In 1653 aanvaardde Johan de Witt (1625-1672) het ambt van raadspensionaris. Evenals De Ruyter was hij een man met grote vaderlandsliefde. Hij kende geen jaloezie of hebzucht. Het was De Witt die De Ruyter op 2 maart 1654 tot vice-admiraal van de Hollandse vloot benoemde. Michiel kwam daarmee in permanente dienst van de Admiraliteit van Amsterdam. Alhoewel De Ruyter bijna traditioneel tegenstribbelde, legde hij op 4 november de eed af. Deze benoeming impliceerde dat De Ruyter in 1655 met zijn gezin het door hem zo geliefde Vlissingen moest verlaten om in Amsterdam te gaan wonen. Onderwijl beschermde de vice-admiraal de koopvaardij tegen de Franse kapers en de Barbarijse zeerovers. Als herkenning van zijn daden gedurende deze reizen werd hem het grootburgerschap van Amsterdam verleend.
Michiel Adriaenszoon de Ruyter is geboren en getogen in Vlissingen. In 1618 ging Michiel voor het eerst naar zee, in dienst van de rederij van Lampsins, als hoogbootsmansjongen. In 1621-‘22 diende hij korte tijd in het Staatse leger onder Prins Maurits. In 1622 gaat hij weer naar zee, waar hij gestaag opklom in rang. De Ruyter zorgde dat hij ook theoretisch onderlegd raakte in de zeevaartkunde. Daardoor kon hij stuurman worden.
In 1631 trouwde hij zijn eerste vrouw, Mayke Velders, die datzelfde jaar in het kraambed overleed. In 1636 hertrouwde hij met Neeltje Engels. Zij overleed in 1650. Hun zoon was Engel de Ruyter (1649-1683).
Tussen 1633 en 1635 was De Ruyter stuurman op de walvisvaarder ‘Groene Leeuw’. In 1637 werd hij kapitein op een kruiser (een particulier kaperschip) van de gebroeders Lampsins in Vlissingen.
In 1641-’42 was hij tijdelijk in ’s Lands dienst als Schout-bij-Nacht onder admiraal Gijsels en tevens als kapitein van ‘De Haze’, een tot oorlogsschip verbouwde koopvaarder. Vervolgens koopt De Ruyter een eigen schip, de ‘Salamander’, waarmee hij acht jaar voor eigen rekening heeft gevaren, vooral op Noord-Afrika en West-Indië.
In 1651 besluit hij om de zee vaarwel te zeggen en zich aan land te vestigen. In 1652 huwt hij voor de derde maal, nu met Anna van Gelder (1613-1687).
In 1652 aanvaardt De Ruyter na lang aandringen een benoeming als ‘vice-commandeur’ onder vlootvoogd Witte de With, voor één tocht. Tijdens ziekte van De With werd het commando overgenomen door Maarten Harpertszoon Tromp. De Ruyter verlengde zijn dienstverband tot na de Slag bij Terheide (10-08-1653), waar Tromp sneuvelde.
Raadpensionaris Johan de Witt bood De Ruyter het opperbevelhebberschap aan, maar De Ruyter weigerde. De kolonel der ruiterij Jacob van Wassenaer werd vlootvoogd. Johan de Witt heeft lang op De Ruyter ingepraat en uiteindelijk aanvaardde hij wel de benoeming tot vice-admiraal van Amsterdam, op 11 november 1653.
In 1655 verhuist De Ruyter met familie naar Amsterdam, waar hij lange tijd woonde aan de Buitenkant (teg. Prins Hendrikkade nr. 131, gevelsteen aanwezig, zie foto hieronder). Hij had verschillende vlaggeschepen onder zijn bevel in de jaren die volgden: ’t Huys te Swieten, ’t Huys Tydtverdryff, De Spiegel. Hij ondernam diverse expedities naar de Middellandse Zee en naar de Oostzee (openhouden van de Sont tegenover de Zweden). Contacten met de Deense koning leidde tot de verheffing van De Ruyter in de Deense adelstand in 1659.
Begin jaren ’60: expedities naar West-Afrika, de Cariben en Terre Neuf (Newfoundland) tegen Engelse kapers en Barbarijse zeerovers.
Na de dood van Van Wassenaer volgt op 11 augustus 1665 De Ruyters benoeming tot luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland en bovendien ‘chef ende opperhooft’ van de gehele vloot. Intensief contact met Johan de Witt gedurende zijn hele carrière. Beiden zijn het eens over de oprichting van een speciale soldaten-afdeling binnen de vloot: op 10 december 1665 wordt het Korps Mariniers opgericht.
In maart 1666 betrad De Ruyter zijn nieuwe vlaggenschip, De 7 Provinciën.
Tijdens de Tweede Engelse oorlog (1665-1667) vinden diverse zeeslagen plaats en natuurlijk de beroemde Tocht naar Chatham, waarbij het Engelse vlaggenschip Royal Charles wordt buitgemaakt.
In 1672 wordt prins Willem III benoemd tot stadhouder, kapitein-generaal en admiraal. Moord op de gebroeders De Witt in Den Haag. De Ruyter wordt thuis in Amsterdam door een woedende volksmenigte belaagd, maar hij wordt tijdig ontzet.
Prins Willem III benoemt De Ruyter op 24 februari 1673 tot luitenant-admiraal-generaal, een nieuwe titel die speciaal voor hem werd gecreëerd.
In 1673 levert De Ruyter de beroemde Slagen op Schooneveld (7 en 14 juni) en die bij Kijkduin (21/8). De Ruyter verkeert op het toppunt van zijn roem. Zijn zoon Engel wordt benoemd tot schout-bij-nacht.
In 1674 vind een mislukte expeditie naar Martinique plaats.
In 1675 verzoekt de Spaanse koningin de Staten om hulp tegen de Fransen die de Spaanse bezittingen in Zuid-Italië hebben bezet (Sicilië en Napels). De Ruyter is tegen het zenden van de beoogde kleine vloot, omdat volgens hem de kracht van de Fransen wordt onderschat. Maar hij stelt: ‘De Heeren hebben mij niet te verzoeken maar te gebieden en al zond men mij met één schip, ik zou mijn leven wagen’ en hij onderneemt toch de expeditie a/b de Eendracht.
In januari 1676 worden enkele gevechten geleverd, o.a. bij Stromboli. Op 27 maart volgt de aanval op Messina (Sicilië). Tijdens de z.g. Slag bij de Etna op 22 april 1676 raakte De Ruyter zwaar gewond door een kanonskogel die zijn rechterbeen verbrijzelde. Er trad wondkoorts in en op 29 april stierf hij.
Zijn lichaam werd aan boord van de Eendracht terug naar Nederland gevoerd waar het pas op 30 januari 1677 in Hellevoetsluis aankwam. Op 18 maart 1677 werd De Ruyter met vorstelijke statie begraven in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, waar zijn praalgraf nog altijd te zien is.
Het bovenstaande is een samenvatting van:
A. van der Moer, De Luitenant-Admirael-Generael, Franeker (Van Wijnen), 2000.
Een uitgebreide biografie van De Ruyter is:
Ronald Prud'homme van Reine, Rechterhand van Nederland. Biografie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter, Amsterdam, 1996.
bezoek ook onze overige sites:
