Na het verlaten van de Latijnse school ging Johan naar de Normaalschool, waar vroeger onderwijzers werden opgeleid. Deze studie heeft hij vlot afgemaakt, maar echt leuk vond hij het niet. Toch is hij door het onderwijzer zijn aan het schrijven van verhalen begonnen. Zijn leerlingen luisterden namelijk graag naar de verhalen die hij had geschreven. Die verhalen gingen altijd over de zee, soms waar gebeurd, maar vaak gefantaseerd.
Johan Been en Den Briel zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Zijn hele leven heeft hij in de stad der Watergeuzen gewoond en het was het stadje Brielle dat hem inspireerde in zijn verhalen.
Zijn eerste gedichten stammen uit 1875, waarin hij de aanleg van de Nieuwe Waterweg betreurt, die Brielle tot een dode stad zou maken; de scheepvaart op de Maas zou afnemen en de loodsen van Brielle overbodig worden. Tot 1895 schreef hij onder het pseudoniem Hendrik Eben verhalen, die spelen in een verzonnen stadje, Zeewalden. Het lijkt gebaseerd op het dagelijks leven in Den Briel. De lezers vinden er de loodsen, de burgemeester, de notabelen en Beens oude vrienden in terug. Het zijn sentimentele verhalen, die geen historische feiten bevatten.
In 1895 wordt Johan Been benoemd tot gemeentearchivaris. Deze baan bevalt hem erg goed. Hij krijgt de kans in de diepste geheimen van het verleden van de stad door te dringen. Deze historische kennis zal zijn boeken ten goede komen.
Het verleden van Den Briel vormt altijd het uitgangspunt voor de boeken van Been. Vaak gaan ze over de Hollanders in de 17e eeuw, over het aanzien van zeehelden als De Ruyter en Tromp. De verhalen hebben meestal een christelijke achtergrond, en spreken over liefde voor het eigen land en trouw aan het Oranjehuis. Het in deze periode verschenen boek 'Dagen en daden van admiraal Dubbel Wit' (1899) werd om de beschrijving van liefde voor het land en het vorstenhuis, verspreid onder de manschappen van leger en vloot.
Tot 1910 combineert Been zijn baan als onderwijzer met die van archivaris. Dan kan hij dit niet langer bolwerken en neemt zijn ontslag als onderwijzer. Hij behoudt echter wel het contact met de jeugd door het schrijven van jongensboeken, die werden uitgegeven door Uitgeverij Kluitman in Alkmaar. Kluitman raadde hem aan zijn historische jeugdboeken wat meer avontuur en spanning te geven en levendiger te gaan schrijven.
De stijl van Been is voor deze tijd wat plechtig en dramatisch, maar door zijn boeiende manier van vertellen en geestig woordgebruik, speciaal in 'Paddeltje', blijven deze boeken behoren tot de goede historische zeeverhalen voor de jeugd. Ze geven een goed beeld van de strijd van onze zeelieden in de 17e eeuw en de gevaren waarin zij verkeerden. Zijn boeken werden vaak geïllustreerd door beroemde tekenaars uit die tijd: Johan Braakensiek, J.H. lsings Jr., Tjeerd Bottema en Louis Raemaekers.
Ook in de tijdschriften Eigen haard, Wereldkroniek, Timotheus, Schouwvenster voor het jonge volkje en het dagblad De Nieuwe Rotterdamsche Courant, schreef Johan Been stukken voor de jeugd. Op een verzoek uit de onderwijswereld heeft Been oudtestamentische verhalen voor de jeugd bewerkt. Een schoolopziener, die het met de inhoud niet eens was, heeft ervoor gezorgd dat deze bewerkingen weer uit de scholen zijn verwijderd.
Johan Been, zeeman aan wal met een onoverwinnelijke watervrees, heeft voor zijn werken over het roemruchte verleden van Brielle al tijdens zijn leven erkenning gekregen. In 1922 ontving hij van koningin Wilhelmina bij de 350e verjaardag van het Watergeuzenfeit de orde van Oranje Nassau. Ter ere van het 600-jarig bestaan van de stad Den Briel werd in 1930 zijn openluchtspel 'Het kind van Voorne' opgevoerd. Been was toen al ernstig ziek; in hetzelfde jaar overleed hij en hij werd op tweede kerstdag begraven.
bezoek ook onze overige sites: