NAMEN VAN ONZE HEILAND

De vele namen van de Heiland.

 

Hier onder volgen de namen en titels van de Heere Jezus. Achter elke naam of titel voeg ik één tekst toe, waar men deze kan vinden. Het moge aanleiding zijn tot overdenking en genieting van de rijkdom, die is neergelegd in Bethlehem’s kribbe. Deze Jezus is zó rijk, dat alles onmogelijk in één naam kan worden vast gelegd; daarom is de Heere zo nederbuigend goed in vele namen en titels ons den rijkdom te tekenen van de Christus Gods.

 

Dit namen overzicht is samengesteld door ds. I. Kievit Ned. Hervormd predikant ( 1887 – 1952 )

Dit overzicht is geplaatst in, de 47e jaargang 1946, Van het Gereformeerd Weekblad. Ook heeft het gestaan in “De Saambinder” 24 december 1998.

 

EN MEN NOEMDE ZIJN NAAM ……

 

A:

Adam (laatste).  1 Kor. 15 : 45

Afschijnsel van de heerlijkheid Gods.  Hebr. 1 : 3

Amen.  Openb. 3 : 14

Apostel onzer belijdenis.  Hebr. 3 : 11

 

B.

Banier der volken.  Jes. 11: 10

Bedienaar der heiligdoms  en des waren tabernakels.  Hebr. 8 : 2

Beeld Gods.  2 Kor. 4 : 4

Begin en einde.  Openb. 1 : 8

Begin der schepping Gods.  Openb. 3 : 14

Beminde Gods. Matth. 12 : 18

Borg des Verbonds. Hebr. 7 : 22

Broeder.  Matth. 12 : 50

Brood des levens. Joh. 6 : 34

Bruidegom.  Matth. 9 : 15

 

C.

Christus.  Matth. 1 : 16

Christus Gods.  Luk 9 : 20

Christus des Heeren.  Luk 2 : 26

 

D.

David.  Ezech. 34 : 23

Deur van den Schaapstal. Joh. 10 : 7

Dienaar der Belijdenis.  Rom. 15 : 8

 

E.

Eerste en Laatste.  Openb. 2 : 8

Eerstelingen dergenen die ontslapen zijn. 1 Kor. 15 : 20

Eerstgeborene aller creaturen.  Coll. 1 : 15

Eerstgeborene onder vele broeders.  Rom. 8 : 29

Eerstgeborene uit de doden.  Openb. 1 : 5

Engel.  Ex. 23 : 20

Engel van Gods aangezicht. Jes. 63 : 9

Engel des Heeren.  Mal. 2 : 7

Engel des verbonds.  Mal. 3 : 1

Erfgenaam van alles.  Hebr. 1 : 2

 

F.

Fundament.  Efeze 2 : 20

Fontein tegen de zonden.  Zach. 13 : 1

 

G.

Gave (Onuitsprekelijke) Gods. Joh. 4 : 10

Geliefde Zoon.  Matth. 3 : 17

Getrouwe en waarachtige.  Openb. 19 : 11

Getuige (getrouwe).  Openb. 19 : 11

Getuigen der volken.  Jes. 55 : 4

Gezalfde des Heeren.  Hand. 4 : 26

Gezalfde boven Zijne medegenoten.  Ps. 45 : 8

Gezalfde met den Heilige Geest.  Hand. 10 : 38

God.  Rom. 9 : 5

God (Sterke).  Jes. 9 : 5

God boven alles te prijzen.  Rom. 9 : 5

God des gansen aardbodems.  Jes. 54 : 5

 

H

Heere.  Luk. 2 : 11

Heere ( alleen zalige en machtige ).  1 Tim. 6 : 15

Heere, Almachtige God.  Openb. 15 : 3

Heere, onze gerechtigheid.  Jer. 23 : 6

Heere der Heeren.  1 Tim. 6 : 5

Heere der heirscharen.  Jes. 44 : 6

Heere uit de hemel.  1 Cor. 15 : 47

Heere Jezus.  Hand. 7 : 59

Heere Jezus Christus.  Hand. 16 : 31

Heere Van allen.  Hand. 10 : 36

Heere van den sabbath.  Matth. 12 : 8

Heerlijkheid des Heeren.  Jes. 40 : 5

Heerlijkheid van Israël.  Lukas 2 : 32

Heerser.  Micha 5 : 1

Heiligdom.  Jes. 8 : 14

Heilige.  Openb. 3 : 17

Heilige en Rechtvaardige.  Hand 3 : 14

Heilige Gods.  Mark. 1 : 24

Heilige Israëls.  Jes. 41 :14

Heiligheid der Heilgheden.  Dan. 9 : 24

Heilig kind Jezus.  Hand. 4 : 30

Held.  Psalm 45 : 4

Herder ( grote) der schapen.  Hebr. 13 : 20

Herder der zielen.  1 Petrus. 5 : 4

Hoeksteen (uitverkoren en dierbaar).  1 Petrus 2 : 6

Hoofd der gemeente.  Efeze 1 : 22

Hoofd van het lichaam der gemeente.  Coll. 11 : 3

Hoofd eens iegelijken mans.  1 Kor. 11 : 3

Hoofd van alle overheid en macht.  Coll. 2 : 10

Hoogepriester.  Hebr. 3 : 1

Hoop.  1 Tim. 1 : 1

Hoorn der zaligheid.  Luk. 1 : 69

 

I.

Ik ben.  Joh. 8 :58

Immanuël  Matth. 1 : 23

 

J.

Jezus.  Matth. 1 : 21

 

K.

Kind.  Jes. 9 : 5

Kind Jezus.  Luk. 2 : 27

Kindeken.  Lukas 2 : 12

Koning der Eere.  Psalm 24 : 7

Koning der heiligen.  Openb. 15 : 3

Koning van Israël.  Joh. 1 : 50

Koning der Joden.  Matth. 2 : 2

Koning der Koningen.  1 Tim. 6 : 15

Koning van Sion.  Zach. 9 : 9

Knecht Gods.  Jes. 42 : 1

Knecht (rechtvaardige).  Jes. 53 : 11

Kracht Gods.  1 Kor. 1 : 24

 

L.

Lam.  1 Petrus 1 : 19

Lam Gods.  Joh. 1 : 29

Leeraar van God gekomen.  Joh. 3 : 2

Leeuw van Juda.  Openb. 5 : 5

Leidsman.  Matth. 2 : 6

Leven.  Joh. 11 : 25

Leven ( eeuwig).  1 Joh. 1 : 2

Levend brood.  Joh. 6 : 51

Licht.  1 : 8

Licht der heidenen.  Lukas 2 : 32

Licht der wereld.  Joh. 8 : 12

Liefste. Hoogl. 5 : 16

 

M.

Man.  Jes. 32 : 2

Man der rechterhand Gods.  Psalm 80 : 17

Man van smarte.  Jes. 53 : 3

Metgezel Gods.  Zach. 13 : 7

Meester.  Matth. 8 : 19

Mens.  1 Tim. 2 : 5

Mens ( tweede ).  1 Kor. 15 : 47

Messias.  Dan. 9 : 25

Middelaar.  1 Tim.  2: 5

Morgenster.  2 Petr. 1 : 19

Morgenster ( blinkende ).  Openb. 22 : 16

 

N.

Nazarener.  Matth. 2 : 23

 

O.

Offerande en slacht offer. Efeze  : 2

Oorzaak der eeuwige zaligheid.  Hebr. 5 : 9

Opgang uit de hoogte.  Luk. 1 : 78

Opstanding en leven.  Joh. 11 : 25

Opziener der zielen.  1 Petr. 2 : 25

Oude van dagen.  Dan. 7 : 22

Overste van de koningen der aarde.  Openb. 1 : 5

Overste Leidsman der zaligheid.  Hebr. 2 : 10

Overste Leidsman en Voleinder des geloofs.  Hebr. 12 ; 2

 

P.

Pascha.  1 Kor. 5 : 7

Plant van Naam.  Ezech. 34 : 29

Profeet.  Hand. 3 : 22

Priester ( naar de ordening van Melchizedek.  Hebr. 6 : 20

 

R.

Raad.  Jes. 9 : 5

Randsoen voor allen.  1 Tim. 2 : 6

Rechter ( rechtvaardige ).   2 Tim. 4 : 8

Rechter over levende en doden.  Hand. 10 : 42

Rechtvaardige.  Hand. 3 : 14

 

S.

Schepper van Israël.  Jes. 43 : 15

Schuilplaats.  Jes. 32 ; 2

Silo.  Gen. 49 : 10

Smaad van mensen.  Psalm 22 : 6

Spruit.  Zach. 3 : 8

Spruite ( rechtvaardige ).  Jer. 23 : 5

Steen des aanstoots.  1 Petr. 2 : 7

Steen ( beproefde ).  Jes. 28 : 16

Steen ( Verworpen ).  Psalm. 118 : 22

Steenrots ( geestelijke ).  1 Kor. 10 : 4

Sterke God.  Jes. 9 : 5

Ster, voortgekomen uit JaCob.  Num. 24 : 17

 

T.

Testamentmaker.  Hebr. 9 : 16

Tronk ( afgehouwen van Isaï ).  Jes. 11 : 1

 

U.

Uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid.  Hebr. 1 : 3

Uitverkorene Gods.  Matth. 12 : 18

 

V.

Vader der eeuwigheid.  Jes. 9 : 5

Verberging tegen de wind.  Jes. 32 : 2

Verbond des volks.  Jes. 42 : 6

Verlosser.  Job. 19 : 25

Vertroosting Israëls.  Luk. 2 : 25

Verzoeningsoffer.  1 Joh. 2 : 2

Voleinder des geoofs.  Hebr. 12 : 2

Voorbeeld.  Joh. 13 ; 15

Voorbidder.  Rom. 8 ; 34

Voorloper.  Hebr. 6 : 20

Voorspraak.  1 Joh. 2 : 1

Vorst.  Jes. 55 : 4

Vorst van het heir des Heeren.  Joz. 5 : 14

Vorst Israëls.  Ezch. 34 : 24

Vorst des levens.  Hand. 3 : 15

Vorst en Zaligmaker.  Hand. 5 : 31

Vrede.  Efeze 2 : 14

Vredevorst  Jes. 9 : 5

Vriend.  Joh. 15 : 13 

Vriend der zondaren.  Matth. 11 : 12

 

W.

Waarachtige.  1 Joh. 5 : 20

Waarachtige God. 1 Joh. 5 : 20

Waarheid.  Joh. 14 : 6

Weg ( de ).  Joh. 14 : 6

Wetgever.  Jak. 4 : 12

Wonderlijk.  Richt. 13 : 18

Woonstede Gods.  2 Kor. 5 : 19

Woord.  Joh. 1 : 1

Woord Gods.  Openb. 19 : 13

Wortel van Isaï.  Jes. 11 10

Wortel en geslacht Davids.  Openb. 5 ;5

Wijnstok.  Joh. 15 ; 1

Wijsheid Gods.  1 Kor. 1 : 24

 

Z.

Zaad van Abraham.  Gal. 3 : 16

Zaad der vrouw.  Gen. 3 : 15

Zaligheid.  Luk. 2 : 11

Zone der Gerechtigheid.  Mal. 4 : 2

Zoon des Allerhoohsten.  Luk. 1 : 32

Zoon Gods.  Hebr. 1 : 5

Zoon des gezegende Gods.  Marc. 14 : 61

Zoon ( eeniggeborene ) des Vaders.  Joh. 3 : 16

Zoon van David.  Matth. 1 : 1

Zoon des mensen.  Matth. 8 : 20

Dit artikel valt onder © De Pelgrim mag zonder toestemming niet worden overgenomen

info@depelgrim.nl