Alfons kijkt Martin geƫrgerd aan. 'Moet je soms iets van me?'
'Ik ben vroeg teruggekomen omdat ik u eigenlijk wilde spreken over de waterbron. Ik dacht: er moet genoeg water te halen zijn voor twee families, de uwe en ook de mijne. Ik wilde voorstellen dat ik wat extra klusjes voor u doe in ruil voor toegang tot de bron voor Saron en mijzelf...'
Een gemene grijns verspreidt zich over Alfons' gezicht. 'Je wilt iets voor mij doen? Goed, jongen, ik wil wel een deal met je sluiten. Als jij zorgt dat er vis uit de grond komt, hier, vlak voor me, dan wil ik je idiote verzoek over de bron wel aanhoren. Afgesproken?'
Martin is twaalf jaar en heeft het grootste deel van zijn leven in een vluchtelingenkamp in Noord-Oeganda gewoond. Zijn moeder is gestorven in de burgeroorlog en waar zijn vader is, weet hij niet. Als het eindelijk vrede id, verlaat hij het kamp met zijn zusje Saron. Ze gaan wonen op het land dat voor de oorlog van hun ouders was. Martin begint vol goede moed voedsel te verbouwen.
Maar het boerenleven is zwaar en de grond kurkdroog. Elke dag moet Marin drie kilometer lopen om water te halen! De waterbron van Martins gemene oom Alfons is vlakbij, maar die mag hij niet gebruiken. Als Martin stiekem water uit de bron probeert te halen, wordt hij betrapt. Oom Alfons is zo kwaad dat Martin denkt dat hij moet vluchten... Dan vertelt de wijze, oude Odong Martin iets waardoor alles anders kan worden.