Jozef en zijn familie hebben zich in Egypte een positie verworven. Ze voelen zich er thuis. Tegelijk weten ze van de belofte van God over een eigen land.
Na de dood van de oude Jakob ontstaat er rivaliteit tussen Jozefs zoons Efraïm en Manasse. Efraïm is er heilig van overtuigd dat de familie in Egypte aan het hof moeten blijven en zich daar als volk van God moet profileren. Manasse voelt zich geleid om met zijn familie terug te gaan naar het beloofde land.
En dan is er nog de Egyptische slavin Jendayi, die de familie al dient sinds ze een klein meisje was. Ook zij is gevangen in haar eigen beeld van wat de goden van haar willen.
Wie zal werkelijk de stem van God verstaan?