Op 12 juni begon Calvijn met zijn colleges over het boek Daniël. De publicatie daarvan droeg hij op aan de vervolgde protestanten in Frankrijk. De spanningen rond de religieuze en politieke situatie in Calvijns vaderland waren juist in deze jaren hoog opgelopen. In deze studie wordt gekeken in hoeverre en op welke wijze Calvijns uitleg van het profetische boek Daniël gestempeld is door de tijd waarin hij bezig was met de exegese van het boek. Ook wordt onderzocht hoe zijn uitleg de toehoorder, en via hen de kerken van de reformatie in Frankrijk, heeft beïnvloed. De auteur schetst de historische context van de Praelectiones over Daniël en besteedt aandacht aan de plaats van Calvijns colleges in zijn werk in Geneve. Verder analyseert hij de Daniëluitleg van twee tijdgenoten, Melanchthon en Oecolampadius, waarbij overeenkomsten en verschillen met Calvijns exegese in kaart worden gebracht. Ten slotte wordt een analyse gegeven van Calvijns uitleg van het thema regnum Christi. Het boek sluit af met een beschouwing waarin duidelijk wordt gemaakt dat Calvijn in de laatste jaren van zijn leven nier radicaler, meer eerder voorzichtiger is geworden. Hij probeerde zijn volgelingen voor opstand te bewaren en leerde ze geduldig hun kruis te dragen tot God hen bevrijden zou in het eeuwige rijk van Zijn heerlijkheid.
UTRECHT - Calvijn als behoedzaam, genuanceerd en terughoudend theoloog. Het Calvijnbeeld in het proefschrift van dr. M. A. van den Berg is een duidelijke aanvulling op allerlei kerkhistorisch bepaalde Calvijnbeelden, vindt prof. dr. W. Otten.
De hervormde predikant uit Zoetermeer promoveerde donderdag in Utrecht op de ’antiapocalyptische’ Daniëluitleg van Calvijn. Ds. Van den Berg laat volgens prof. Otten zien dat er enerzijds een historische vervulling van de profetieën is en dat anderzijds een rijkere duiding nog uitstaat. „De verwezenlijking van het rijk van Christus is alleen aan God voorbehouden en niet aan Zijn profeten”, aldus de Utrechtse hoogleraar theologie.
Prof. dr. H. J. Selderhuis uit Apeldoorn vroeg de promovendus of hij zich methodisch kon verantwoorden doordat hij weinig kritische distantie ten aanzien van Calvijn in acht nam. „Calvijn kan eigenlijk maar weinig verkeerd doen.” Ds. Van den Berg repliceerde dat hij zo beschrijvend mogelijk Calvijn wilde benaderen. „Mijn eigen keus en mijn persoonlijke waardeoordeel waren daarbij minder relevant.”
Klopt het werkelijk dat alles al reeds vervuld is met Daniël, vroeg prof. dr. F. G. Immink (Kampen). „Geeft Calvijns standpunt juist ook niet de ruimte voor een voortgaande openbaring, die niet historisch is te beperken?” Ook dr. H. van den Belt (Utrecht) stelde een vraag over de al te historische benadering van Calvijn. „Maakt Calvijn door zijn exegese, gericht op de letterlijke Schriftzin, zich niet kwetsbaar voor de historische kritiek van de verlichting?”
Volgens ds. Van den Berg gaat Calvijns uitleg van Daniël vooral over de áárd van het rijk van Christus, waarbij dit rijk wel de hele geschiedenis tot aan de wederkomst omspant. Calvijn was er echter beducht voor om zaken uit de profetieën concreet te duiden omdat het niet vervuld worden afbreuk zou doen aan het gezag van de Schrift.
Prof. dr. A. de Reuver (emeritus hoogleraar, Utrecht) vroeg of er echt niets nieuws te verwachten was, bijvoorbeeld de groei van de kerk in de geschiedenis. Het antwoord van ds. Van den Berg was dat Calvijn uiteraard wel op een dergelijke groei hoopte en die ook voor mogelijk achtte, alleen verbond hij die hoop niet met een concrete voorzegging uit Daniël.
De Reuver pleitte ervoor om het woord ”bovenhistorisch” te gebruiken, omdat historische realiteit een geladen en beladen begrip is, in de zin van tijdelijk, voorbijgaand. „Het rijk van Christus is eerder een bovenhistorisch en eeuwig rijk.” Ds. Van den Berg erkende dat het rijk van Christus uiteraard een eeuwig rijk is, maar dat het er in zijn studie om ging te laten zien hoe dat rijk ook in de historische realiteit aanwezig is, tot aan de volheid bij Christus’ wederkomst.
Ds. Van den Berg antwoordde dat het eigene aan het rijk van Christus is dat de kerk een minderheidspositie heeft en dat de kerk groeit, maar Calvijn verbindt dit alles niet aan concrete gegevens in Daniël. „Het rijk van Christus heeft een historisch karakter, zeker, maar er is tegelijk bij hem een spanning om dat historisch te duiden.”
Is Calvijns uitleg van Daniël mogelijk een paradigma voor de uitleg van boek Openbaring, waarover Calvijn echter nooit een commentaar schreef? zo poneerde prof. dr. W. Balke (emeritus hoogleraar, Amsterdam). Ds. Van den Berg vond het veelzeggend dat Calvijn de laatste hoofdstukken van Ezechiël in één preek afhandelde. „Ik kan me voorstellen dat Calvijn het boek Openbaring in historische zin zou uitleggen, als reeds vervuld in de eerste eeuwen in de kerken van Klein-Azië.”
Prof. dr. B. E. J. H. Becking (oudtestamenticus, Utrecht) daagde de promovendus uit om het begrip apocalypisch minder overspannen uit te leggen dan Calvijn dat deed vanuit de optiek van dwepers als Jan van Leiden. „Apocalyptisch kan ook verwijzen naar een Messiaanse omslag.” Prof. dr. M. Sarot (Utrecht) miste in het proefschrift de inbreng van middeleeuwse exegeten over Daniël. „Zo had het eigene van Calvijn beter uit de verf kunnen komen.”
Ds. Van den Berg vroeg zich af in hoeverre Calvijn kennis had genomen van deze laatste bronnen. De vergelijking met middeleeuwse exegeten had Van den Berg niet opgenomen omdat er vanuit Calvijns Daniëluitleg niet direct aanleiding voor was. Ook was het niet zijn onderzoeksopdracht om een vergelijkende exegesegeschiedenis te schrijven. Hij wilde vooral laten zien hoe voor Calvijn de politieke context van Frankrijk belangrijk was voor zijn uitleg. De vergelijking met Melanchthon en Oecolampadius werd mede gemaakt omdat ook daardoor duidelijk werd hoe zij in een enigszins andere context ook andere accenten hebben gelegd in hun uitleg.